Breuken optellen en aftrekken lijkt lastig, maar met één simpele regel lukt het altijd: zorg dat de noemers (de onderste getallen) gelijk zijn, tel of trek dan de tellers (de bovenste getallen) op of af, en vereenvoudig je antwoord. Op deze pagina leggen we het stap voor stap uit, met voorbeelden die je meteen kunt narekenen.
Bij 2/7 + 3/7 zijn de noemers al gelijk (allebei 7). Je telt alleen de tellers op:
2/7 + 3/7 = 5/7
Bij 1/2 + 1/3 zijn de noemers verschillend. Het kleinste getal waar 2 én 3 in passen is 6. Maak beide breuken eerst gelijknamig: 1/2 wordt 3/6 en 1/3 wordt 2/6. Daarna tel je de tellers op:
1/2 + 1/3 = 3/6 + 2/6 = 5/6
Aftrekken gaat precies zo. Bij 3/4 − 1/6 is het kleinste gemene veelvoud van 4 en 6 gelijk aan 12. Maak gelijknamig: 3/4 wordt 9/12 en 1/6 wordt 2/12. Trek dan de tellers van elkaar af:
3/4 − 1/6 = 9/12 − 2/12 = 7/12
Een heel getal plus een breuk schrijf je samen als een gemengd getal. Zo is 4 + 4/5 = 4 4/5 en 5 + 2/3 = 5 2/3.
Met meer dan 22 jaar aan ervaring, weten we hoe lastig het kan zijn om in je eentje dit onderwerp onder controle te krijgen, laat ons jou helpen door je te koppelen aan een bijlesdocent. Meer dan 50.000 leerlingen gingen je al voor!
Klaar om het zelf te proberen? Hieronder oefen je meteen met breuken optellen en aftrekken:
Wil je meer oefenen? Ga naar de leeromgeving. Kom je er niet uit? Bij bijles wiskunde leggen onze docenten het rustig met je door. Zie ook: breuken vermenigvuldigen en delen.
Bekijk ook de uitleg van docent Menno:
Deze content is gebaseerd op de oefenstof die is gemaakt door studenten die zich in het netwerk bevinden van StudentsPlus. Deze studenten studeren aan de lerarenopleiding of zijn al afgestudeerd docent. Uiteraard is de oefenstof gecheckt door andere studenten en is er ook een check geweest op correct Nederlands.
Wij gaan direct en gratis op zoek naar een vervangende!
Onze bijlesgevers zijn zeer gemotiveerd en zorgvuldig geselecteerd.
Een gratis online platform met duizenden oefenopgaven.